Ontstaan

Vóór het Hogescholendecreet van 1994 konden de bijna 90.000 studenten terecht in niet minder dan 160 Vlaamse hogescholen.

Aan de kleinschaligheid waren ongetwijfeld een aantal positieve aspecten verbonden, doch ze betekende een nadeel op tal van andere punten. Voor kleine instellingen was het moeilijk om bijvoorbeeld volwaardige studentenvoorzieningen uit te bouwen, van de kwaliteitszorg een constante in de werking te maken, om echt actief te zijn inzake internationale relaties en uitwisselingen, om een modern personeelsbeleid op te zetten, ...
H
et grote aantal hogescholen en de kleinschaligheid zorgden er ook voor dat de instellingen het 'verdeel en heersprincipe' ondergingen. De manier waarop het Hogescholendecreet tot stand kwam - een debat waarin de hogescholen slechts secundaire gesprekspartners waren - illustreerde de machteloosheid van toen.

Met het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap (13 juli 1994) werd een grootscheepse fusieoperatie en een reorganisatie van het onderwijsaanbod (studiegebieden en opleidingen) op gang gebracht. De meer dan 160 instellingen werden teruggebracht tot 29 en nu zelfs tot 21 hogescholen.

Deze fusiebeweging bracht niet enkel de gefuseerde hogescholen bij elkaar, maar zorgde ook voor toenadering tussen de instellingen. De wil tot samenwerking is gegroeid vanuit het besef dat men pas een onderwijskundige meerwaarde kan realiseren en waar nodig een vuist maken, wanneer op een rationele en efficiënte wijze met het menselijk potentieel en met de schaarse middelen wordt omgesprongen.

De oprichting van de Vlaamse Hogescholenraad

Een eerste positieve ervaring inzake samenwerking kenden de hogescholen begin jaren '90 met de belangengroeperingen van de instellingen van de toenmalige korte en lange types.
In de loop van 1995 zijn netoverschrijdende contacten gelegd om tot een gestructureerde manier van overleg en samenwerking te komen.

Dit resulteerde op 17 januari 1996 in de officiële oprichting van de v.z.w. Vlaamse Hogescholenraad, de VLHORA. Na verloop van tijd traden alle hogescholen tot de vereniging toe: de instellingen stuurden daarmee een voor Vlaanderen belangrijk maatschappelijk signaal de onderwijswereld in.

Sinds zijn oprichting verdedigde de VLHORA met kracht de belangen van het hoger onderwijs en van de hogescholen in het bijzonder, organiseerde overleg tussen de hogescholen en trad met standpunten, voorstellen en adviezen naar buiten.

De wijze waarop van bij de aanvang zinvol en efficiënt werd gewerkt, maakte snel van VLHORA een in de Vlaamse onderwijswereld niet meer weg te denken advies- en overlegorgaan én de spreekbuis van de 100.000 hogeschoolstudenten en de bijna 10.000 personeelsleden.

Het Vlaams Parlement besliste op 7 juli 1998 bij decreet de Vlaamse Hogescholenraad officieel te erkennen als instelling van openbaar nut (publicatie in het Belgisch Staatsblad van 28 augustus 1998).